Nieuwsarchief
Hof van Justitie EG: volledige BPM-heffing strijdig met EG-recht
datum: 01-08-2008
De Hoge Raad heeft in januari van dit jaar vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de EG over de reikwijdte van eerdere uitspraken van het EG-Hof over de Nederlandse BPM. Het EG-Hof beslist in de vandaag gepubliceerde antwoorden dat een volledige BPM-heffing, zonder dat rekening wordt gehouden met de duur van de huurovereenkomst, strijdig is met het EG-recht.
Uit eerdere rechtspraak van het EG-Hof kon volgens de Hoge Raad al worden geconcludeerd:
- dat het heffen van een belasting met betrekking tot een voertuig dat door een inwoner van een lidstaat wordt gehuurd van een in een andere lidstaat gevestigde verhuurder en door die inwoner slechts kortdurend in zijn lidstaat van inwoning wordt gebruikt, in strijd is met het EG-Verdrag, ook als deze naar tijdsevenredigheid wordt geheven, tenzij sprake is van een rechtvaardiging, en
- dat het een lidstaat is toegestaan een belasting te heffen met betrekking tot een voertuig dat door een van zijn inwoners wordt gehuurd van een in een andere lidstaat gevestigde verhuurder, als het voertuig hoofdzakelijk is bestemd voor duurzaam gebruik in de eerstgenoemde lidstaat of daar feitelijk duurzaam wordt gebruikt.
Volgens de Hoge Raad lieten deze eerdere arresten echter ruimte bestaan voor twijfel over het antwoord op de vraag of het een lidstaat is toegestaan van een inwoner ter zake van de aanvang van het gebruik van de openbare weg met een personenauto belasting - anders dan tijdsevenredig - te heffen, als deze auto door een verhuurbedrijf in een andere lidstaat voor een bepaalde periode anders dan kortstondig (in dit geval voor de duur van 3 jaar) aan die inwoner ter beschikking is gesteld en binnen de huurtermijn hoofdzakelijk is bestemd voor gebruik in de lidstaat van inwoning of daar feitelijk hoofdzakelijk wordt gebruikt.
Het EG-Hof heeft nu uitgesproken: "De artikelen 49 EG tot en met 55 EG verzetten zich tegen de toepassing van een nationale wettelijke regeling als aan de orde in het hoofdgeding, krachtens welke een in een lidstaat woonachtige of gevestigde persoon die een in een andere lidstaat geregistreerde en gehuurde auto hoofdzakelijk in eerstgenoemde lidstaat gebruikt, verplicht is om ter zake van de aanvang van het gebruik met dit voertuig van de weg van eerstbedoelde lidstaat een belasting te betalen waarvan het bedrag wordt berekend zonder rekening te houden met de duur van de huurovereenkomst van het betrokken voertuig of met het gebruik met dit voertuig van voornoemd wegennet."
Dit alles roept natuurlijk wel de vraag op hoe deze uitspraak zich verhoudt met de vanaf 1 februari 2007 geldende wetgeving. De procedure ging namelijk over de periode voor die datum. In het belastingplan 2007 was voorgesteld om een tijdsevenredige heffing voor buitenlandse auto's in te voeren. Om tegemoet te komen aan allerlei praktische bezwaren is alsnog gekozen voor volledige heffing bij aanvang van het weggebruik, gevolgd door een teruggaaf bij het einde van het Nederlandse gebruik. Per saldo wordt daarmee een tijdsevenredige heffing bereikt. Naar de letter van de wet wordt echter op het belastbare moment (aanvang weggebruik) geen heffing geheven die rekening houdt met de toekomstige duur van het weggebruik. Daarom moet er serieus rekening mee worden gehouden dat ook de huidige regeling de Europese toets der kritiek niet kan doorstaan.